Koffiedik

Dingen, van Marte de Jong

Mausoleum

De storm was ’s nachts steeds heftiger geworden. Kale takken hadden wild tegen hun raam geslagen. Toch kan Arvid, juist nu het stil is, niet meer in slaap komen. De diepblauwe, vierkante vorm van het raam is steeds duidelijker zichtbaar achter het gordijn – het zal niet lang meer duren voordat de zon opkomt. Hij besluit een ochtendwandeling te maken en laat zich, om Lin niet wakker te maken, zo stil mogelijk uit zijn bed glijden. Ze ligt nog in een vaste slaap opgekruld in het andere bed. Voorzichtig stapt hij over haar nog onuitgepakte koffers.
     Niet veel later staat hij buiten in laarzen, met twee truien over zijn pyjama. Hij trekt de mouwen over zijn handen en begint met lopen. De zon is al dicht genoeg tegen de horizon opgekropen om het pad goed te onderscheiden. Maar de vogels zijn nog stil. Het maakt de bomen des te roerlozer.
     Dit is voor het eerst dat hij een wandeling maakt sinds hij weer naar het huisje is gereisd. Hoewel het bos in de jaren veel veranderd is herkent hij het meteen, al kan hij er niet helemaal zijn vinger op leggen wat het dan is dat hij herkent. Het is een beetje alsof je zowel de gelaatstrekken van een vader als van een moeder terug ziet in die van hun zoon. De bomen hebben erg geleden onder storm. Tussen de afgebroken en overhangende takken kan hij een kleine Arvid en een kleine Lin zien lopen.
     Bomen vormen hun eigen graf als ze omwaaien. Wanneer hun stam afbreekt, dient de stronk die nog staat als grafsteen voor de liggende boom. Wanneer ze met wortels en al gaan, vormen de wortels met de losgetrokken grond een waaier – ook een grafsteen. De kleine Lin rent van het ene naar het andere graf. Arvid probeert haar bij te houden. Ze staat stil bij een grote wortel-waaier en bekijkt hem aandachtig, alsof ze een inscriptie probeert te ontcijferen. Ze heeft de houding van een museumbezoeker. Na een tijdje naar een werk te hebben gekeken, loopt ze naar het volgende, zonder een blik op de ontwortelde, dode boom te hoeven werpen.
     Arvid legt zijn hand op een omgewaaide berk en voelt de schilferige zilveren boomschors onder zijn handpalm. Het hout is nog nat en zijn vel koelt snel af. De stam schiet uit zijn grafsteen als kunst uit een kunstwerk en het minste wat Arvid kan doen is het gevoel van zijn handpalm niet meer te vergeten.
     Dan valt hem iets op bij de wortels; iets glanst. Wanneer hij dichterbij komt ziet hij dat het een raaf is. Arvid hurkt bij de vogel neer en aait de verwarde veren weer tegen het lichaam glad; het dier is steenkoud. Hij tilt de dode raaf voorzichtig op en stopt het onder zijn twee truien. Met zijn armen de bobbel ondersteunend staat hij op en begint weer terug te lopen, naar huis.

Een bewerking van het tweede deel van het korte verhaal ‘Waar hij was gebleven’, 2014.

Portret

Portret

Ik zak naast je

Ze mogen me niet wakker maken
misschien staat dat wel
op het bordje voor het glas
Ik kruip door de natte planten – water
tot ellebogen tot bij de pianokruk
hijs op en speel met koude handen
Ze weten niet beter en noemen het prelude

Klanken vallen niet samen met noten
in dit geval, al merk je het niet
(jij)
Maar er is vast een reden waarom
mijn piano in het moeras staat
De pedalen verzwaren en
de tonen stomper – deze kruk kan
alleen mij hebben         Sta je op?

Ik speel met wel tien vingers.

Ik kus je mossige voorhoofd

1.
Ik heb een kat ontmoet. Hij heeft iets weg van een konijn en kan erg goed klimmen. We zeggen niet veel tegen elkaar, maar juist dat kan ik wel gebruiken.

2.
Je zegt dat de overtocht roerige was, met hoge golven. Volgende keer maar niet de boot vergeten mee te nemen. Aangezien het ons niet duidelijk is wie dat zegt, beamen we het beide.

3.
Ik verdenk je ervan dat je de boot met opzet vergeten bent. Je haren zijn nog steeds nat en zo zie je er kleiner uit en daarom kan ik niet boos worden wanneer je het gras niet meer maait. De ramen zijn tot op de helft groen.

4.
De kat die iets weg heeft van een konijn zit naast me op de schutting. We vertellen verhalen over onze vroegers; de zijne gaat ver voorbij de ijstijd. Ik vind het maar spannend. Ik denk aan toen het zo warm was en jij en ik zelf ijsjes maakten. Het gras kriebelt onze tenen.

5.
De melk is op, al een tijdje zeg je en ook je kleren worden nat van de druppels uit je haren.

6.
“Heb je de wedstrijd gisteren gezien?”
“Ik sliep.”
“Het was teleurstellend en mensen riepen lage tonen.”
“Ik droomde over vogeltjes die vrolijk de uiteinden van mijn haren in hun snavels pakten en allemaal tegelijk begonnen te trekken tot mijn hoofd het hemelgewelf was.”
“Ja, ik weet eigenlijk niet veel van sport.”

7.
Je haren regenen nu. Ik plak mijn eigen haren af met plastic en duct tape, dicht tegen mijn schedel aan. Het zit strak.

8.
Je mag wel lachen maar alleen als het pijn doet zeg je en ik moet huilen.

9.
Ik zie de kat die iets weg heeft van een konijn nu op reguliere basis.

10.
De melk is nog steeds op zeg je met de wind in je haren. Ik moet mijn paraplu stevig vasthouden. Ik voel me schuldig en ik zoek de boot, maar we zijn hem kwijtgeraakt in het hoge gras.

11.
Ik verzin een plan zeg ik tegen je Om de melk terug te halen. Je hoeft niet op te blijven hoor en kus je op je voorhoofd. Mijn lippen proeven mos.

12.
De golven zijn meters hoog maar de kat die iets weg heeft van een konijn kan erg goed klimmen. Ik vind het maar spannend en druk mijn neus diep in zijn vacht. Ik wilde dat je ons zo kon zien, maar toch ook niet en dat is waarom ik een leugenaar ben geworden.

13.
Ik ben de melk vergeten.

Welterusten

Welterusten

Komma

Er is een gat tussen de bergen
van vroeger – dieper dan ik me herinner.
We hangen er boven

en je legt uit
dat er zonder meerdere zandkorrels geen hoop is.
Vijf korrels of wat is te weinig maar hoeveel genoeg
en welke korrel verdwijnt op tijd
om de hoop geen-hoop te maken. Onbepaald tellen;

we stapelen ze op zoals
we waaiden langs oevers:
jij wijst – net als toen altijd – de koeien aan
wiens vlekken wolken vormden.
Onze schouders raakten, wat ik las als oneindige komma’s,
ook hier:

je wenkbrauwen vouwen dit netjes voor me in
en zo dichten we samen het gat
tussen ons – tussen toen.
Want als één zandkorrel zowel hoop als geen-hoop is
dan zijn wij altijd vroeger
dan nu,




Illustratie door Kristina ten Bosch. Neem ook even een kijkje op: http://kristina-ten-bosch.blogspot.nl.

Deze samenwerking is tot stand gekomen met steun van BNG Bank en BNG Cultuurfonds.

2014

2014

Nachtjapon

We verkleden ons als de avond en het is een grote avond
maar alles past precies op één opblaasmatras.
De straten worden goed verlicht
want als je door je wimpers kijkt
zijn koplampen eigenlijk gewoon golven.
Je zult zien dat we gevolgd worden. Je knikt;
alleen met z’n allen kun je een stads nachtjapon bestijgen.

Opdat we morgen wakker worden
en zijn vergeten. Waar is mijn haar,
ga je vragen. Maar nu zijn we nog op
zoek naar die plek waar je de stad kunt knuffelen.

Vanavond houden we de lampen aan, ook in de gang,
dan kunnen we struikelen waar iedereen het ziet.

Doorgang (?)

Doorgang (?)

Schets voor M.

Schets voor M.