Koffiedik

Dingen, van Marte de Jong
Prinzessinnengarten, Berlijn

Prinzessinnengarten, Berlijn

Iona

Hij steunt
achter het nonnenklooster
voor op zijn wandelstok,
dan op het bankje: links.
Zijn gezicht grijs. Het regent.

Het nonnenklooster is ook
oud en kapot. Het mist
een dak, in plaats daarvan zijn
er nu de wolken
grijs. Het regent.

Druppels vallen
door zijn stof

en naast hem
op het bankje: rechts.

Voor Iona, Schotland

Stockholm

Stockholm

Vrije val

Ik heb een visnet om al mijn
nachten in op te hangen.

Dromen moet je even laten uitwasemen
om op te drogen
uit te wringen
in de juiste vorm. (Tussen
duim en wijsvinger.)

Om daarna – als al het
vocht verdampt is – de randen
gebroken korsten

te verpulveren. (Tussen
touwen door.)

Ik val door mijn net.

Berlijn

ik verf je
gezicht
met vrolijke kleuren
dan zie je
er gelukkig
uit

Constructivism: 4th movement (snapshot in adagio)

Constructivism: 4th movement (snapshot in adagio)

NA DE VAL

zou iemand dat opvallen
dat omhoog vallen –
dat meer pijn doet dan gewoon
gericht te pletter slaan
in een binnenplaats

zoals een binnenplaats omringt
met ramen naar de middelste tegels gericht
sommigen knipogen luikend toe
en verzegelen de leegte erachter – in ieder geval
kun je daar dan op aan

je komt er niet op aan 
als je richting niet van kracht is
en je valt omhoog tot nooit
te pletter slaan

Winfred

1. Er was een man die Winfred heette. Winfred had een baard, een baan en soms wat vrienden. Hij wisselde deze dingen wat af, behalve de baard, die was er altijd. Winfred had ook een huis waar hij ’s avonds in thuis kwam en altijd wanneer dat gebeurde wist hij dat het niet zo goed met hem ging, want altijd wanneer hij thuis kwam voelde hij zich verdrietig.

2. Winfred werkte op een kantoor waar hij dingen uit moest zoeken en moest noteren wat hij had gevonden. Daarvoor moest hij veel lezen en schrijven. In de pauze zat hij in de kantine en lachte hij met vrienden/collega’s. Soms bleef hij in de kantine zitten om te werken zodat het lachen zou blijven.

3. Op een dag wilde Winfred vrolijker thuiskomen en kocht daarom een schildpad als huisdier. Hij vroeg aan de verkoper wat een schildpad allemaal nodig had en de verkoper wees hem spullen aan. Samen pakten ze de spullen uit de schappen en legden ze op de toonbank neer. Winfred haalde zijn pas door de gleuf en de verkoper stopte alles in plastic tassen.

4. Thuis stalde Winfred alle spullen uit op tafel en ging er even bij zitten. De schildpad zat in een doorzichtig bakje en Winfred pakte hem met beide handen op en hield hem vlakbij zijn gezicht en noemde hem
Schildpad.
Hij bedacht zich, maar hij wist even geen betere naam. Dus noemde hij hem voorlopig Voorlopig.

5. Winfred stapte de volgende ochtend in de lift van het gebouw waar hij moest werken. Hij werkte op de bovenste verdieping. Hij keek naar dit woord in zijn gedachten, ‘verdieping’, en vroeg zich af waarom je je moest verdiepen terwijl je omhoog ging. Bij elk verdieping werd het woord in zijn hoofd scherper, groter, dieper in de gedachte gekrast, tot het woord de gedachte overnam. Toen gingen de liftdeuren open. Een collega/vriend groette en Winfred lachte.

6. Die dag in de trein naar huis was Winfred een beetje zenuwachtig. Zijn hartkloppingen overstemde de roezemoes. Winfred dacht aan Voorlopig en voelde zijn hart een beetje dieper zijn aorta in kruipen. Wat moest het leuk zijn om straks thuis te komen dacht hij.

7. Die avond had hij geen zin om eten te koken. Hij had de hele namiddag voor het aquarium gezeten dat midden op tafel stond. Voorlopig had hem aangekeken en wat gezwommen en Winfred voelde een warmte voor het beestje. Maar het zitten maakte hem moe en de honger hem zwaar. Hij had niet vaak zin om te koken, maar nu leek koken hem toe als een vreselijk ongeïnspireerde, onzinnige handeling, zoals in de koffiepauze een lantaarnpaal tussen de straatstenen vandaan graven om hem in de gracht te gooien en Winfred was nog geen enkel moment in zijn leven tegengekomen waarop hij daar de behoefte toe had gevoeld. Dus bleef hij voor het aquarium zitten tot de honger pijn deed en stopte toen droge sneetjes brood in zijn mond.

8. Druk hè?
Ja, echt.
Maar bijna vakantie.
Nou.

9. Ergens midden in de week had Winfred een etentje met vrienden in de stad. Een vriendin had lang bij iedereen aangedrongen tot ze allemaal op dezelfde dag konden, eindelijk. Winfred keek ernaar uit maar zag in plaats daarvan het beeldscherm van zijn computer en klikte steeds het volgende liedje aan.

10. Die avond lachten ze veel. Iedereen vroeg hoe het met hem ging en dan zei hij Goed. Eén goeie vriendin vroeg verder, en Winfred voelde zich dankbaar. Maar dat voelde hij pas later toen ze het dessert al op hadden. Winfred had haar verteld over Voorlopig en dat hij het werk soms wel druk vond, maar ze wilde vast niet horen dat het slecht met hem ging.

11. Winfred had geen vrienden meer.

12. Winfred had een nacht lang naar Voorlopig gekeken. Hij zag er rustig uit en het aquarium was mooi verlicht. Nu in lift voelde hij dat hij had moeten slapen. Bij elke verdieping werden zijn ogen zwaarder tot alles zwart was en ze ergens diep in zijn lichaam lagen opgeborgen en alleen nog het zoemen van het aquarium zoem zoem zoem

13. WINFRED WINFRED WINFRED WINFRED WINFRED

14. Winfred zat weer thuis op de bank, in pyjama. Zijn collega’s hadden hem overeind geholpen maar hij hoefde de lift niet uit te komen echt heus het gaf niet, en hij moest maar wat uitrusten. Winfred kantelde zich langzaam op zijn linker zij en viel met open ogen in slaap.

15. Winfred maakte een reis. Het begon ver onder de grond, het moest een soort put zijn geweest. Hij stak zijn duimen op naar de mensen die boven hem over de rand hingen. Ze lachten naar hem en hij lachte terug. Hij gaf Voorlopig genoeg te eten maar bedacht zich later dat hij was vergeten Dag te zeggen en voelde zich het hele eerste stuk van de reis schuldig. Het volgende stuk voelde hij zich ook schuldig, omdat hij zich realiseerde dat hij de eerste schuldigheid niet werkelijk had gevoeld maar alleen had gedacht dat hij die moest voelen.

16. Het was heel donker en groot daarbeneden. Het hielp ook niet dat Winfred zelf kleiner werd.

17. Winfred kon niet goed de vorm van de diepte bepalen. Zijn stappen echoden, heen en weer, steeds harder, zo diep was deze diepte. En met elke echo echode de diepte zich dieper waardoor de echo’s nog dieper konden echoën.

18. Winfred kon de vorm van zijn gezicht niet meer herinneren. Misschien had hij wel een baard gehad, dat zou cool zijn.

19. Hij, iemand, vroeg zich af of een vorm wel een vorm heeft. Het was moeilijk te onderscheiden waar die gedachte vandaan kwam en alleen nog het zoemen dat zoem zoem zoem

20.

__________

image

Mausoleum

De storm was ’s nachts steeds heftiger geworden. Kale takken hadden wild tegen hun raam geslagen. Toch kan Arvid, juist nu het stil is, niet meer in slaap komen. De diepblauwe, vierkante vorm van het raam is steeds duidelijker zichtbaar achter het gordijn – het zal niet lang meer duren voordat de zon opkomt. Hij besluit een ochtendwandeling te maken en laat zich, om Lin niet wakker te maken, zo stil mogelijk uit zijn bed glijden. Ze ligt nog in een vaste slaap opgekruld in het andere bed. Voorzichtig stapt hij over haar nog onuitgepakte koffers.
     Niet veel later staat hij buiten in laarzen, met twee truien over zijn pyjama. Hij trekt de mouwen over zijn handen en begint met lopen. De zon is al dicht genoeg tegen de horizon opgekropen om het pad goed te onderscheiden. Maar de vogels zijn nog stil. Het maakt de bomen des te roerlozer.
     Dit is voor het eerst dat hij een wandeling maakt sinds hij weer naar het huisje is gereisd. Hoewel het bos in de jaren veel veranderd is herkent hij het meteen, al kan hij er niet helemaal zijn vinger op leggen wat het dan is dat hij herkent. Het is een beetje alsof je zowel de gelaatstrekken van een vader als van een moeder terug ziet in die van hun zoon. De bomen hebben erg geleden onder storm. Tussen de afgebroken en overhangende takken kan hij een kleine Arvid en een kleine Lin zien lopen.
     Bomen vormen hun eigen graf als ze omwaaien. Wanneer hun stam afbreekt, dient de stronk die nog staat als grafsteen voor de liggende boom. Wanneer ze met wortels en al gaan, vormen de wortels met de losgetrokken grond een waaier – ook een grafsteen. De kleine Lin rent van het ene naar het andere graf. Arvid probeert haar bij te houden. Ze staat stil bij een grote wortel-waaier en bekijkt hem aandachtig, alsof ze een inscriptie probeert te ontcijferen. Ze heeft de houding van een museumbezoeker. Na een tijdje naar een werk te hebben gekeken, loopt ze naar het volgende, zonder een blik op de ontwortelde, dode boom te hoeven werpen.
     Arvid legt zijn hand op een omgewaaide berk en voelt de schilferige zilveren boomschors onder zijn handpalm. Het hout is nog nat en zijn vel koelt snel af. De stam schiet uit zijn grafsteen als kunst uit een kunstwerk en het minste wat Arvid kan doen is het gevoel van zijn handpalm niet meer te vergeten.
     Dan valt hem iets op bij de wortels; iets glanst. Wanneer hij dichterbij komt ziet hij dat het een raaf is. Arvid hurkt bij de vogel neer en aait de verwarde veren weer tegen het lichaam glad; het dier is steenkoud. Hij tilt de dode raaf voorzichtig op en stopt het onder zijn twee truien. Met zijn armen de bobbel ondersteunend staat hij op en begint weer terug te lopen, naar huis.

Een bewerking van het tweede deel van het korte verhaal ‘Waar hij was gebleven’, 2014.